NATUURIJS
Er zijn vele soorten natuurijs. De Nederlandse schaatsers komen voornamelijk in aanraking met kunstijs en consumptieijs. In het kunstijs weten we al gauw goed- en slecht ijs te onderscheiden alsmede hard en zacht ijs.
Zelfs winter- en zomerijs onderscheiden we tegenwoordig, want een enkele ijsbaan wil ’s zomers ook nog wel eens enkele weken open zijn. En voor de vele soorten consumptieijs wenden wij ons tot de eerste de beste snackbar. maar er zijn ook een heleboel andere soorten (natuur)ijs.
Sneeuwijs.
Sneeuwijs is grijs van kleur. Het ontstaat wanneer er langdurige sneeuwval gevolgd wordt door vorst. De sneeuw die (meestal met windstil weer) in het water valt dooit niet weg maar bevriest. Dit geeft niet het bekende zwarte ijs maar een grijs oppervlak.
Nadeel is dat het minder sterk is en dus minder snel houdt. Bij invallende dooi kraakt het ook niet maar kan zo uiteenvallen. Het heeft ook voordelen. In het donker is het veel lichter en gemakkelijker te zien. Bij een elfstedentocht waarbij je in het donker start en finisht is dit een groot voordeel. Nadeel is wel weer: je ziet geen barst. Dus ook de barsten in het natuurijs zie je niet. Die zie je in zwart natuurijs weer goed. Nog een ander bijkomend voordeel is dat bij sneeuwijs de landerijen ook bedekt zijn met een laag sneeuw. Afgezien van dat dit veel mooier is heeft het ook voordelen. Als ’s middags de temperatuur door de zon oploopt wordt op een besneeuwd landschap de warmte teruggekaatst waardoor de temperatuur gemakkelijker onder 0 blijft. Tevens heb je geen last van zand op het ijs. In regio's met kleigrond kan dit een groot probleem zijn. Vooral de noord-zuidelijke regionen zitten vaak onder het zand doordat de wind bij vorst haast altijd uit het oosten komt.
Fondantijs.
Na een periode waarin zich een flinke natuurijslaag heeft gevormd kan soms ineens de dooi invallen waarbij de temperatuur plotseling wel 15 graden boven nul kan komen. Het ijs is dan nog wel sterk maar de bovenkant wordt poreus. Elk luchtbelletje wordt een broeikasje waardoor her en der wakjes ontstaan. Ook dit ijs kraakt niet maar het breekt zonder waarschuwing.
Dubbeltjes
Als de zon op het ijs schijnt leveren waterplanten zuurstof. Dat wordt een belletje onder het ijs, vaak ter grootte van een dubbeltje. In de nacht die er op volgt vormt zich een laagje ijs. De dag er na schijnt de zon weer. En weer vormt zich een weer een luchtbel. Bij bewolkt weer vormt zich ook een luchtbel maar een kleinere. Als het overdag ook doorvriest worden de luchtbelletjes cilindervormig. Zo kun je aan natuurijs zien wat voor weer het de afgelopen dagen is geweest en hoeveel nachten het ijs oud is. Je kunt zelfs zien of het gevroren heeft of niet. Je hoeft simpel de luchtbelletjes boven elkaar te bekijken en te tellen.
Dubbeltjesijs vind je vaak in sloten en op ondergelopen land. Vroeger zeiden we als iemand op het ijs viel: “dat is weer een dubbeltje”. Die uitdrukking is ontleent aan de luchtbelletjes die in het ijs zitten. Het leek dan of je een dubbeltje opraapte. Deze luchtbelletjes zie je niet in natuurijs op diep water.
Deze foto laat natuurijs van twee nachten zien: Overdag was het beide dagen het zonnig en te oordelen aan de platte bellen rond het vriespunt. ’s Nachts vroor het licht, omdat de ijs-aangroei slechts gering is.

Warme voeten ijs.
Dit is sneeuwijs dat door de sneeuw aan de oppervlakte een ruwe structuur heeft gekregen. Het kan ook mooi zwart ijs zijn dat door harde wind een ribbelige structuur heeft gekregen. Warme voeten ijs glijdt wel goed maar je dendert doorlopend over die kleine bobbeltjes heen. Dit geeft een verbeterde doorbloeding in je voeten waardoor ze lekker warm blijven. Nadeel is wel dat op de lange duur het schaatsen op Warme voeten ijs vermoeiender is dan op gewoon glad natuurijs.

Bomijs.
Bomijs is ijs waar het water onder verdwenen (vaak weggemalen) is. Het is vaak wit omdat de onderzijde bedekt is met een laagje bevroren condens (net als op de autoruit). Het heeft totaal geen draagkracht en je gaat er heel gemakkelijk door. Vaak zie je het in greppels. Het water is dan weggezakt en het ijs ligt er nog. Ook komt het vaak voor dat er terwijl de vorst in valt nog wordt gemalen. Meestal wordt tijdig gestopt maar soms malen ze te lang door. Het waterpeil zakt dan 10-20 cm terwijl het ijs aan de oevers vastgevroren zit. Het ijs staat dan helemaal “hol”.
In het in het midden ligt het ijs nog wel op het water. Maar bij de kanten zit het soms wel 10-20 cm hoger vast. Daar zit er dan geen water meer onder en ga je er gemakkelijk door. Dit levert Rijkswaterstaat altijd veel onkosten aan beschoeiïngen op, vandaar dat ze het meestal niet zo ver laten komen. Voor schaatsers betekent het: niet bij de kanten komen en het midden aanhouden.
1 nacht ijs.
We zijn natuurlijk allemaal bekend met de uitdrukking niet over 1 nacht ijs gaan. Wat er met het gezegde bedoeld wordt is dat er een voorzichtige aanpak gehanteerd dient te worden. Na een vorstperiode van slechts 1 nacht is het ijs meestal niet erg dik en dus zak je er gemakkelijk door heen.
Kwalsterijs.
Kwalsterijs is een soort natuurijs dat heel slecht berijdbaar is. Het bestaat uit bijeen gewaaide sneeuwbultjes die door de dooi gedeeltelijk ontdooid en doortrokken met water zijn. Daarna zijn die bultjes weer bevroren. Doordat ze poreus zijn zak je er door tot je op de oorspronkelijke ijslaag komt. Het is niet gevaarlijk in de zin van er doorheen zakken maar er ontstaan wel veel valpartijen door.
Ook kan kwalsterijs ijs zijn waar een laag natte sneeuw op is gevallen waardoorheen is gelopen. De natte voetsporen bevriezen daarna, waardoor je heel moeilijk berijdbaar ijs krijgt. Met elfstedentochten is het raadzaam in zo’n geval om daar op voorbereid te zijn door de voorkant van je ijzers extreem op te slijpen.
Net als een slee. Je valt dan veel minder vaak.
Grondijs.
Grondijs ontstaat bij harde wind en strenge vorst en dan met name in vaarten die dwars op de windrichting liggen. Doordat het hard waait is het water in beweging. Normaal zou met strenge vorst het oppervlak bevriezen. Maar doordat het water in beweging is gebeurt dit niet. Ondanks dat de watertemperatuur dik onder nul is.
Door de harde wind krijg je een circulatie waarbij het oppervlaktewater, dat dik onder nul is, aan de kant waar de wind op staat naar beneden gaat. Het gaat over de bodem naar de andere kant. Hier komt het tot rust en bevriest. Er zet zich dus ijs af op de bodem. Als het afzetten van ijs doorgaat krijgt het ijs zoveel drijfvermogen dat het los komt en gaat drijven. De op deze manier ontstane schotsjes (met een doorsnede van 15 tot 20 cm) drijven naar de kant waar de wind op staat en vriezen aan elkaar vast. Op plaatsen waar grondijs ligt is het ijs vaak sterker dan elders. Dit is belangrijk te weten als het ijs verder nog niet sterk is. Omdat er vaak zand in het ijs zit worden je schaatsen wel snel bot.
Landijs.
Landijs is de benaming voor bevroren ondergelopen land. Doordat er relatief weinig water staat past de watertemperatuur zich snel aan de luchttemperatuur aan. Hierdoor kan er veel sneller op geschaatst worden dan op de diepere wateren die langere tijd nodig hebben om zich aan de vrieskou aan te passen. Het blijft uitkijken, omdat landijs vaak doorsneden wordt door slootjes. Die zijn in verhouding zwak.
Als de winter ten einde loopt is het landijs eerder onbetrouwbaar dan het natuurijs op de diepere wateren. Dit komt omdat de zon later in de winter weer meer kracht krijgt. De planten onder het landijs beginnen ook meer zuurstof te leveren doordat er geleidelijk meer licht komt. Dit zorgt er voor dat onder het landijs een zee van luchtbelletjes ontstaat. De zon schijnt door het ijs en verwarmt de lucht in de belletjes. Daardoor komen de belletjes langzaam omhoog en maken langwerpige vertikale kanaaltjes in het ijs. Gevolg: fondant ijs; overal vallen plotseling grote en kleine wakken. Het breekt ook snel (en verraderlijk – zonder te kraken) omdat er geen structuur meer in zit.

Kruiend ijs.
In een langdurige winterperiode kan het IJsselmeer ook bevriezen. Als dan de dooi invalt, haast altijd vanuit het zuiden of zuidwesten, waaien de ijsschotsen naar de noord oostkant van het Ijsselmeer. Richting Makkum dus. Door de doorlopende aanvoer van nieuw ijs en de daardoor ontstane enorme druk, worden de voorste schotsen vaak zelfs over de dijk gedrukt. Verkeer is achter de dijk dan ook niet meer mogelijk en de weg is dan afgesloten. Regelmatig worden zelfs zomerhuisjes weggevaagd door de gestaag voort kuipende schotsenmassa.
Kistwerk.
Hier komt geen timmerman aan te pas. Een kistwerk ontstaat bij harde wind op een groot meer. Vaak op de Fluessen en het Slootermeer. Als er een flinke laag ijs in het meer ligt en de wind neemt toe, komt er steeds meer druk op het ijs, aan de windkant, te staan.
Het hele ijsoppervlak vangt namelijk nogal wat wind. Welliswaar weinig per vierkante cm maar in totaal vangt de hele oppervlakte toch enorm veel wind. Zoveel zelfs, dat onder oorverdovend lawaai aan de zuidwest kant van het meer de ijsmassa gaat schuiven. Daar gaat het ijs dus ook kruien. Er ontstaat over de hele breedte van het meer een “muur” van schotsen die tegen elkaar op gaan staan. Dit komt omdat de gehele ijsvloer soms wel enkele honderden meters opschuift. Aan de noordoostkant van het meer, de leikant, ontstaat natuurlijk op het zelfde moment een wak. Dat wak is ook enkele honderden meters breed en loopt over de gehele breedte van het meer. Dat komt omdat de hele ijsvloer eenvoudig wegwaait, opschuift dus. Daarom kan soms in later stadium niet meer over het Slootermeer worden gereden terwijl dit eerst wel kon. Altijd na harde wind. Het slootermeer is dan een “knelpunt” in de elf stedenroute. Er moet dan een stuk over het land gekluund worden.
Sandwich ijs.
Als na een langdurige vorstperiode de dooi invalt (vaak gepaard gaand met regen) komt er een laagje water op het ijs te staan. De nacht er na kan het weer gaan vriezen. Het gevolg is: de onderlaag, een dikke ijvloer. Daar bovenop een laagje water met weer daar bovenop een laag ijs. Het mag duidelijk zijn dat er niet meer op te schaatsen is.
Deze situatie deed zich ook voor in de winter van 1985. Door de de dooi kwam er een laag water op het ijs. De nacht daarop vroor het weer enkele graden en er kwam weer een dun laagje ijs op die laag water. Er tussenin zat water. Door deze constructie wordt de zuurstoftoevoer (van bovenaf door het riet) afgesneden. Al gauw komen vissen en andere overwinterende dieren zoals kikkers en padden in de problemen. Ze willen naar zuurstof happen aan de oppervlakte. Omdat dit niet kan ontstaat een enorme sterfte. Boten komen echter een beetje omhoog, los van de oorspronkelijke ijslaag. Door de kier die tussen de boot en het ijs ontstaat komen soms zelfs palingen omhoog. Deze kruipen tussen de ijslagen in. Gewapend met een hark en een emmer kun je dan in no time een flinke maaltijd op de kop tikken.
Getransplanteerd ijs.
Dit is ijs dat met een kettingzaag uit een ander deel van de vaart is gehaald en in blokken is gezaagd. Het wordt op plaatsen die niet dicht vriezen, doordat de wind of stroom het water open houdt, (bijvoorbeeld onder bruggen) gelegd. Door op deze plekken schotsen in het water te leggen kun je er voor dat het daar sneller dicht gaat. Wordt vaak gedaan op knelpunten in de elf steden route.
IJzel.
IJzel ontstaat als het gaat regenen terwijl het een periode gevroren heeft en de grond is onder nul. Het regenwater valt op de grond en bevriest. Het wordt dan spekglad. Er wordt dan zout gestrooid. Zodra de grondtemperatuur boven nul komt ontdooit de ijzel en is de gladheid over. Door de aanhoudende regen (vanuit het westen), gebeurt dit meestal vanzelf.
IJsregen.
Dit kan ontstaan wanneer er twee luchtlagen zijn. De bovenste laag is boven nul. Die er onder is onder nul. Het gaat uit de bovenste laag regenen. De regen gaat door de daaronder gelegen koudere luchtlaag heen en koelt omdat het daar vriest. De regendruppels zijn echter doorlopend tijdens de val in beweging en bevriezen niet. Pas als ze de grond raken fixeert het onder nul zijnde water en bevriest. Dit is een lastiger situatie dan wanneer er sprake is van ijzel. Strooien heeft veel minder effect omdat die laag simpelweg ingekapseld wordt door een nieuwe ijsregenlaag.
Bij de laatste twee soorten van natuurijs kan in extreme omstandigheden voorkomen dat er zo'n dikke ijslaag ontstaat waardoor men zelfs op de straten kan schaatsen (zie video). Dit is echter niet aan te raden als je je schaatsen in goede staat wilt houden omdat en nogal eens kiezelstenen door het ijs heenprikken, of omdat er op bepaalde plaatsen een midder dikke laag zult treffen.
- DOUTZEN HOOPT OP ELFSTEDENTOCHT
- HET TALENT: EVERT HOOLWERF
- FLEVONICE
- PETER NAUTA
- NOG VEEL MEER>>
Langebaanschaatsen